ECLI:NL:CRVB:2013:CA3013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken medische grondslag voor arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek met lichamelijke klachten en verminderde psychische draagkracht. Na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst ontving hij een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde na een medisch onderzoek vast dat appellant vanaf 4 maart 2011 weer in staat was zijn eigen arbeid te verrichten en beëindigde daarop de uitkering.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat zijn klachten onverminderd aanwezig waren en hem belemmerden bij het werken, onderbouwd met een medisch verslag en een WSW-indicatie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen objectieve afwijkingen of beperkingen waren vastgesteld. De WSW-indicatie met urenbeperking werd niet gevolgd omdat deze niet medisch onderbouwd was in het kader van de Ziektewet. Er waren geen aanwijzingen dat appellant op de datum in geschil niet in staat was zijn eigen arbeid te verrichten.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd wegens het ontbreken van objectieve medische beperkingen.