ECLI:NL:CRVB:2013:CA3014

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12-2518 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag voor arbeidsongeschiktheid

Appellant was werkzaam als maatschappelijk werker en viel wegens fysieke en psychische klachten uit. Het UWV beëindigde de Ziektewet-uitkering per 3 augustus 2011 na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen omdat de medische beoordeling voldoende was onderbouwd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht uitging van een zittende maatgevende functie en dat het bezwaaronderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellant stelde in hoger beroep dat hij meer moest staan en dat zijn psychische klachten hem belemmerden, maar kon dit niet onderbouwen met nieuwe medische informatie.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV, concludeerde dat er geen reden was om het standpunt te wijzigen en wees het hoger beroep af. De uitkering is daarmee terecht beëindigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Ziektewet-uitkering is terecht beëindigd omdat appellant niet medisch ongeschikt is voor zijn eigen werk.

Uitspraak

12/2518 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
4 april 2012, 11/9180 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 12 juni 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.
OVERWEGINGEN
1. Appellant was vanaf 15 april 2010 werkzaam als maatschappelijk werker in een moskee gedurende 36 uur per week. Op 28 december 2010 is hij wegens fysieke en psychische klachten uitgevallen voor zijn werk. Zijn dienstverband is met ingang van 15 april 2011 geëindigd in verband met het aflopen van het contract. Appellant is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
2. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 1 augustus 2011 de ZW-uitkering per 3 augustus 2011 beëindigd. Bij besluit van 21 oktober 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een bezwaarverzekeringsarts ten grondslag van
20 oktober 2011, waarin het standpunt van de verzekeringsarts is onderschreven, dat de urologische problemen, de hartklachten en de psychische klachten van appellant niet dermate ernstig zijn dat hij op grond daarvan het verzekerde werk niet kan doen.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het (bezwaar)verzekeringsgeneeskundig onderzoek onjuist, onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts bij de heroverweging in bezwaar de gegevens van de neuroloog, de uroloog, de cardioloog en de huisarts heeft meegewogen. In hetgeen is aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de constatering van de bezwaarverzekeringsarts dat de maatgevende functie van appellant overwegend een zittende functie betreft.
4. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij ongeschikt is zijn werk te verrichten. Appellant acht zich door zijn urologische klachten niet in staat om lang te staan. Appellant heeft gesteld dat hij, anders dan door het Uwv wordt aangenomen, in de maatgevende functie veel moest staan, onder meer bij het op het bord schrijven tijdens het geven van Arabische les. Appellant heeft aangevoerd dat het hem aan de mentale spankracht ontbreekt om de sociale problematiek te trotseren waarmee hij in zijn werk te maken heeft.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
5.2. De vraag moet worden beantwoord of het oordeel van de rechtbank kan worden gevolgd, dat het Uwv appellant terecht met ingang van 3 augustus 2011 niet (langer) ongeschikt heeft geacht voor zijn eigen arbeid.
5.3. Het oordeel van de rechtbank en de hierboven weergegeven overwegingen worden onderschreven. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste maatstaf voor de arbeid van appellant voorafgaande aan zijn ziekmelding. Appellant heeft zijn stelling dat hij bij het lesgeven meer moest staan dan af en toe om iets op het bord te schrijven, niet onderbouwd.
5.4. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die zijn stelling ondersteunt dat de artsen van het Uwv zijn beperkingen hebben onderschat en dat hij niet in staat kan worden geacht om zijn eigen werk te verrichten. Voor de door appellant gestelde psychische klachten geldt dat de bezwaarverzekeringsarts na anamnese en observatie van appellant tot de conclusie is gekomen dat de stemmingsklachten niet in de weg hoeven te staan aan vervulling van het eigen werk. Het Uwv heeft met een verzekeringsgeneeskundige rapportage van 4 januari 2012 nader gemotiveerd dat de door appellant in beroep overgelegde informatie van psycholoog N. Birjmohan van 15 oktober 2011 geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Er is geen reden om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts niet te onderschrijven.
5.5. Het Uwv heeft op goede gronden het recht op ziekengeld met ingang van 3 augustus 2011 beëindigd. Er is dan ook geen reden om een onafhankelijk deskundige in te schakelen zoals door appellant is verzocht.
5.6. Uit de overwegingen 5.3 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) D.E.P.M. Bary
QH