ECLI:NL:CRVB:2013:CA3200

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/3334 WWB-PV + 12/4221 WWB-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 WWBArt. 4:84 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit bijzondere bijstand voor huisraad als geldlening

Bij besluit van 21 september 2011 kende het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage aan appellante bijzondere bijstand toe voor huisraad ter hoogte van € 2.322,- als geldlening. Na bezwaar werd dit bedrag verhoogd tot € 2.617,-, waarvan € 1.650,- als geldlening. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond.

In hoger beroep stond centraal of het bedrag van € 1.650,- als gift in plaats van lening moest worden verstrekt. De wet (artikel 51 WWB Pro) biedt bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen als lening, borgtocht of gift. Het college hanteert beleid waarbij bijstand voor duurzame gebruiksgoederen standaard als lening wordt verstrekt, tenzij de betrokkene 65 jaar of ouder is of in schuldhulpverlening zit.

Appellante voerde aan dat vanwege schulden en echtscheiding niet kon worden gespaard, maar dit vormde geen bijzondere omstandigheid die afweek van het beleid. De Raad oordeelde dat geen reden bestond om af te wijken van het beleid en bevestigde het bestreden besluit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De bijzondere bijstand voor huisraad wordt toegekend als geldlening en niet als gift.

Uitspraak

12/3334 WWB-PV, 12/4221 WWB-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 mei 2012, 12/297 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)
Datum uitspraak: 4 juni 2013
Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter van de enkelvoudige kamer Griffier: T.A. Meijering
Ter zitting is A. Vukovic voor het college verschenen. Appellante is niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 21 september 2011 heeft het college aan appellante bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend in de kosten van huisraad tot een bedrag van € 2.322,- in de vorm van een geldlening. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluiten van 19 maart 2012 en 2 april 2012 (bestreden besluiten) gedeeltelijk gegrond verklaard. Het toegekende bedrag is verhoogd tot € 2.617,-, waarvan € 1.650,- in de vorm van een geldlening is verleend. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. In geschil is of ook het bedrag van € 1.650,- als bijstand om niet moet worden verleend.
Op grond van artikel 51, eerste lid, van de WWB kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet. Bij de toepassing van artikel 51 van Pro de WWB hanteert het college het beleid dat, wanneer bijzondere bijstand wordt verleend voor duurzame gebruiksgoederen zoals hier aan de orde, de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt. Daarop wordt slechts een uitzondering gemaakt ingeval betrokkene 65 jaar of ouder is en/of indien betrokkene in de schuldhulpverlening zit. In die gevallen bestaat er namelijk geen vooruitzicht op inkomensverbetering.
In de bestreden besluiten heeft het college overeenkomstig het hiervoor genoemde beleid aan appellante bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een geldlening. Appellante heeft aangevoerd dat de bijzondere bijstand geheel als gift moet worden verleend, omdat zij, ofschoon zij jonger is dan 65 en niet in de schuldhulpverlening zit, wel veel schulden heeft en zij vanwege haar echtscheiding niet heeft kunnen sparen. Dit zijn echter geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellante niet vooraf heeft kunnen reserveren voor vervanging van duurzame gebruiksgoederen of op grond waarvan niet van haar gevergd kan worden in deze kosten te voorzien door gespreide betaling achteraf. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat het college met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van dit beleid had moeten afwijken. Het hoger beroep slaagt daarom niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) T.A. Meijering (getekend) O.L.H.W.I. Korte
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
RH