ECLI:NL:CRVB:2013:CA3224
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Wubo wegens ontbreken Nederlandse nationaliteit en geen schrijnende leefsituatie
De zaak betreft het beroep van de erven van wijlen de heer F., die in 1950 vanuit Nederlands-Indië naar Nederland kwam en zich in 1958 in de Verenigde Staten vestigde, waar hij in 1969 de Amerikaanse nationaliteit aannam. De Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) wees zijn aanvraag voor een toeslag en uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) af omdat hij ten tijde van de aanvraag niet de Nederlandse nationaliteit bezat.
De Raad oordeelde dat de wet alleen toepassing vindt op personen met de Nederlandse nationaliteit, tenzij het niet toepassen tot een klaarblijkelijke hardheid leidt. Verweerder stelde een aangepast beleid vast met criteria waaronder medische noodzaak, verlies van nationaliteit buiten eigen macht, ernstige oorlogsschade en schrijnende leefsituaties. De Raad concludeerde dat geen van deze criteria op de heer F. van toepassing was.
Met name werd vastgesteld dat er geen schrijnende leefsituatie was veroorzaakt door het oorlogsleed, mede gelet op de financiële situatie en medische kosten van de echtgenote. De eerdere uitspraak van de Raad die verweerder tot een nieuwe beslissing verplichtte, werd hiermee gevolgd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand en appellanten krijgen het betaalde griffierecht vergoed.
De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij toepassing van de anti-hardheidsbepaling in artikel 3, tweede lid, Wubo en benadrukt dat het verlies van de Nederlandse nationaliteit een drempel vormt voor het verkrijgen van Wubo-uitkeringen.
Uitkomst: Het beroep wordt afgewezen en het besluit tot afwijzing van de Wubo-aanvraag blijft in stand.