ECLI:NL:CRVB:2013:CA3229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling maandelijkse afbetaling studieschuld na draagkrachtmeting
Appellant verzocht de Minister om verlaging van de maandelijkse afbetaling van zijn studieschuld over 2011 via een draagkrachtmeting. De Minister stelde bij besluit de draagkracht vast op basis van het inkomen van appellant en zijn partner over 2009, waarbij een maandbedrag van €225,81 werd vastgesteld.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en stelde dat het gezamenlijke verzamelinkomen negatief was, waardoor de draagkracht op nul zou moeten worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de inkomens niet bij elkaar worden opgeteld volgens de Wet studiefinanciering 2000.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door onvolledige en verkeerde informatie in de toelichting bij het formulier was misleid, waardoor hij het formulier verkeerd invulde. Hij stelde dat de Minister had moeten verwijzen naar de toepasselijke wetsartikelen en dat hij anders het formulier had ingevuld.
De Raad oordeelde dat de Minister correct had gehandeld conform de wet en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat geen onjuiste informatie was verstrekt. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De maandelijkse afbetaling van de studieschuld wordt vastgesteld op €225,81 en het hoger beroep wordt afgewezen.