ECLI:NL:CRVB:2013:CA3233

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12-3353 WTOS
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.10 Wtos
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen toekenning tegemoetkoming onderwijsbijdrage wegens niet-tijdige aanvraag

Appellante vroeg een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) voor het schooljaar 2009-2010. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij niet vóór 1 augustus 2010 een aanvraag had ingediend. De Minister had haar wel een basistoelage toegekend met ingang van 1 augustus 2010.

De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij tijdig een aanvraag had ingediend. Appellante stelde dat zij op 23 december 2009 een aanvraag had ingediend, maar kon dit niet onderbouwen met correspondentie.

In hoger beroep herhaalde appellante dat haar aanvraag tijdig was en wees op haar bijzondere omstandigheden, waaronder rolstoelafhankelijkheid en communicatie via spraakcomputer. De Raad overwoog dat ondanks deze omstandigheden de aanvraag niet tijdig was ontvangen en dat het recht op tegemoetkoming pas ontstaat na een tijdige aanvraag. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat voor eerdere jaren wel tijdig aanvragen waren gedaan.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; geen tegemoetkoming voor schooljaar 2009-2010 wegens niet-tijdige aanvraag.

Uitspraak

12/3353 WTOS
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 april 2012, 11/524 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
Datum uitspraak 14 juni 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft Q. van der Salm, moeder van appellante, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2013. Namens appellante is haar moeder verschenen. De Minister was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.
OVERWEGINGEN
1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door de Minister. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
2.1. Bij besluit van 15 december 2010 heeft de Minister aan appellante met ingang van 1 augustus 2010 een zogenoemde basistoelage inwonend op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) toegekend. Toekenning van een tegemoetkoming voor het schooljaar 2009-2010 is afgewezen omdat appellante niet voor
1 augustus 2010 een aanvraag heeft ingediend.
2.2. Bij besluit van 7 maart 2011 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar van appellante, gericht tegen het besluit van 15 december 2010 voor zover daarbij is geweigerd haar een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten toe te kennen voor het schooljaar 2009-2010, ongegrond verklaard. Als reden voor de afwijzing is gehandhaafd dat de aanvraag eerst op 1 november 2010, en derhalve niet tijdig (dat wil zeggen gedurende het schooljaar 2009-2010), is ingediend.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij eerder dan op 1 november 2010 een aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de Wtos voor het schooljaar 2009-2010 bij de Minister heeft ingediend. Appellante heeft, nadat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, geen brief overgelegd waaruit, zoals zij gesteld heeft, zou blijken dat de Minister haar naar aanleiding van de aanvraag, gedateerd 23 december 2009, heeft verzocht deze aanvraag aan te vullen. Voorts is overwogen dat het op grond van artikel 11.4 van de Wtos gevoerde beleid ingevolge de beleidsregel ‘Opheffing terugwerkende kracht Hoofdstuk 4 WTOS’ (Staatscourant 2009, nr. 20674) in het geval van appellante op consistente wijze is toegepast en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om van dat beleid af te wijken.
4. Appellante herhaalt in hoger beroep dat de aanvraag voor het schooljaar 2009-2010 tijdig is ingediend. Voorts stelt ze dat het onterecht is dat zij de tegemoetkoming over 2009-2010 niet krijgt gezien haar situatie. Er moet voor haar altijd veel geregeld worden, zij is rolstoelafhankelijk, communiceert met een spraakcomputer en kan niet zelfstandig eten en drinken.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. De aangevoerde gronden hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Appellante is er ook in hoger beroep niet in geslaagd aannemelijk te maken dat eerder dan op 1 november 2010 een aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de Wtos voor het schooljaar 2009-2010 door de Minister is ontvangen. Het bepaalde in artikel 4.10, tweede lid, van de Wtos leidt ertoe dat een recht op een tegemoetkoming op grond van de Wtos voor een bepaald schooljaar niet van rechtswege ontstaat, maar pas kan worden geëffectueerd nadat een daartoe strekkende aanvraag tijdig is ingediend.
5.2. De omstandigheden waaronder appellante moet leven zijn onmiskenbaar zwaar en moeilijk. Echter dit betekent niet dat de Minister daarin aanleiding had moeten vinden om onder toepassing van de hardheidsclausule, in afwijking van het bepaalde in artikel 4.10, tweede lid, van de Wtos, aan appellante een tegemoetkoming op grond van de Wtos toe te kennen over het schooljaar 2009-2010. De leefomstandigheden hebben er niet aan in de weg gestaan dat voor eerdere schooljaren tijdig een aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de Wtos is ingediend.
5.3. Uit hetgeen is overwogen in 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2013.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) K.E. Haan
QH