Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3799

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/2916 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanvraag WAO-uitkering terecht buiten behandeling gesteld wegens ontbreken noodzakelijke gegevens

Appellant, die van 1978 tot 1995 in Nederland verbleef, diende in juni 2009 een aanvraag in voor een WAO-uitkering bij het UWV. Het UWV verzocht appellant meerdere malen om aanvullende gegevens en documenten die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Ondanks deze verzoeken verstrekte appellant niet de gevraagde informatie.

Het UWV besloot daarom de aanvraag niet verder in behandeling te nemen en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit besluit en oordeelde dat het UWV terecht gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om een aanvraag buiten behandeling te laten indien onvoldoende gegevens zijn verstrekt.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Er waren geen aanwijzingen dat appellant redelijkerwijs niet in staat was om de gevraagde gegevens binnen de gestelde termijn te verstrekken. De Raad bevestigde dat het UWV bevoegd en redelijk heeft gehandeld door de aanvraag buiten behandeling te stellen.

De Raad wees een proceskostenveroordeling af en sprak de beslissing uit in het openbaar op 19 juni 2013.

Uitkomst: De aanvraag van appellant voor een WAO-uitkering is terecht buiten behandeling gesteld wegens het niet verstrekken van noodzakelijke aanvullende gegevens.

Uitspraak

11/2916 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
14 april 2011, 10/2531 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 19 juni 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2013. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant verbleef van 1978 tot 1995 in Nederland. Hij heeft op 2 juni 2009 bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij brief van 7 december 2009 heeft het Uwv appellant verzocht nadere gegevens te verstrekken, omdat op basis van de beschikbare gegevens hem geen WAO-uitkering kan worden toegekend. Bij besluit van 24 februari 2010 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat met de gegevens die hij bij brief van 18 januari 2010 heeft verstrekt, de aanvraag niet kan worden beoordeeld en dat daarom de aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2. Naar aanleiding van het bezwaar heeft het Uwv appellant bij brief van 24 maart 2010 verzocht een dertiental vragen te beantwoorden en de gevraagde stukken op te sturen. Bij besluit van 29 april 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant niet heeft voldaan aan het op 24 maart 2010 gedane verzoek om nadere gegevens en informatie te verstrekken.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv heeft verzocht om gegevens en bescheiden waarover appellant redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, zoals gegevens over de eerste ziektedag, medische rapporten over de periode dat hij ziek is geworden alsmede gegevens van behandelaars in Nederland en Marokko, bewijsstukken van en gegevens over zijn arbeidsverleden in Nederland, de datum van aankomst en vertrek uit Nederland, gegevens over eventuele uitkeringen die appellant in Nederland heeft ontvangen en gegevens over de wijze waarop appellant in zijn levensonderhoud heeft voorzien sinds zijn terugkeer naar Marokko. De rechtbank heeft vastgesteld dat de door het Uwv gevraagde gegevens niet door appellant zijn overgelegd. De gegevens die appellant in bezwaar en beroep heeft overgelegd betreffen niet de gegevens waar het Uwv om heeft verzocht. Niet is gesteld noch is gebleken dat appellant niet, dan wel niet tijdig, over de gevraagde gegevens heeft kunnen beschikken. Het Uwv was dan ook bevoegd om de aanvraag van appellant om een WAO-uitkering buiten behandeling te laten. Niet is gebleken dat het Uwv niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
3. In hoger beroep heeft appellant volstaan met een herhaling van hetgeen hij in beroep naar voren heeft gebracht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
4.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv niet over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om tot behandeling en beoordeling van de aanvraag van appellant over te gaan en dat de door het Uwv aan appellant gevraagde aanvullende gegevens noodzakelijk zijn om zijn recht op WAO-uitkering te kunnen beoordelen. Er zijn voorts geen aanknopingspunten op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gevraagde ontbrekende gegevens binnen de gestelde hersteltermijn te verstrekken.
4.3. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het Uwv bevoegd was de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013.
(getekend) C.C.W. Lange
(getekend) Z. Karekezi
HD