ECLI:NL:CRVB:2014:1040
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- W.H. Bel
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag indicatie persoonlijke verzorging op grond van AWBZ
Appellante, geboren in 1930, vroeg op 3 oktober 2010 een indicatie aan voor persoonlijke verzorging op grond van de AWBZ. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wees dit verzoek af omdat er geen sprake was van hulpafhankelijkheid bij persoonlijke verzorging. Het bezwaar van appellante werd eveneens ongegrond verklaard.
De rechtbank Leeuwarden bevestigde deze afwijzing, stellende dat CIZ zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de zorgbehoefte niet onjuist was vastgesteld. De rechtbank vond dat de visuele beperkingen van appellante onvoldoende aanleiding gaven voor AWBZ-zorg, mede omdat behandeling van haar oogproblemen nog mogelijk was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat verklaringen van haar huisarts en specialisten de noodzaak van persoonlijke verzorging onderbouwden. De Raad overwoog dat persoonlijke verzorging volgens het toetsingskader van het CIZ betrekking heeft op ondersteuning bij ADL-activiteiten bij een tekort aan zelfredzaamheid.
De Raad vond dat het medisch advies en de verklaringen onvoldoende beperkingen aantoonden die rechtvaardigen dat appellante aangewezen is op persoonlijke verzorging. De verklaring van de huisarts was onvoldoende specifiek en de longarts gaf aan dat het niet zelf kunnen doen van huishoudelijke taken geen AWBZ-zorg betreft.
De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en het besluit van het CIZ. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor een indicatie persoonlijke verzorging is terecht afgewezen en het hoger beroep is ongegrond verklaard.