ECLI:NL:CRVB:2014:1045
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.E. Bakker
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant ontving van januari 1993 tot februari 1994 een WAO-uitkering, die per 18 februari 1994 werd ingetrokken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellant vroeg in 2011 om herziening van dit besluit, stellende dat hij nog steeds ziek was en overlegde enkele medische documenten.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees het verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat de intrekking onterecht was en dat hij sinds 1994 onder medische behandeling stond. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat de aangeleverde documenten geen inzicht geven in de medische situatie eind 1993/begin 1994 en dat de enkele stelling van blijvende ziekte na 1994 geen nieuwe feiten of omstandigheden oplevert.
Daarom mocht het Uwv het verzoek afwijzen met verwijzing naar het eerdere besluit. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een andere beslissing rechtvaardigden. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de intrekking van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.