ECLI:NL:CRVB:2014:1047

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 maart 2014
Publicatiedatum
28 maart 2014
Zaaknummer
13-2375 ZW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 lid 7 AwbArt. 8:108 lid 1 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding in hoger beroep UWV

Appellant heeft tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn van vier weken waren ingediend. De termijn liep af op 15 augustus 2013, maar de gronden werden pas op 16 augustus 2013 per brief verzonden en op 19 augustus 2013 per fax ontvangen.

Appellant stelde in het verzet dat hem niets valt te verwijten omdat hij zijn gemachtigde had opgedragen tijdig de gronden in te dienen. De Raad oordeelde echter dat de gevolgen van het handelen of nalaten van een gemachtigde in beginsel voor rekening komen van degene die de belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd. Er was geen grond om de termijnoverschrijding als verschoonbaar te beschouwen.

Het verzet werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 maart 2014.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

Datum uitspraak: 28 maart 2014
13/2375 ZW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 augustus 2012, 12/2101 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht van 4 september 2013 heeft de Raad het namens appellant door
mr. drs. E.C. Spiering ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 4 september 2013 heeft mr. Arslan namens appellant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 februari 2014, waar partijen - appellant met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 4 september 2013 berust op de overwegingen dat de gronden van het hoger beroep niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 18 juli 2013 gestelde termijn van vier weken zijn ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is.
De laatste dag waarop tijdig de gronden van het hoger beroep konden worden ingediend, is
15 augustus 2013. Bij brief gedateerd 16 augustus 2013, bij de Raad per fax ontvangen op
19 augustus 2013, heeft de toenmalige gemachtigde van appellant de gronden ingediend. Dat is niet binnen de gestelde termijn.
In het verzetschrift heeft de huidige gemachtigde van appellant aangevoerd dat appellant niets te verwijten valt. Appellant heeft regelmatig bij zijn toenmalige gemachtigde aangedrongen op tijdige verzending van de hogerberoepsgronden.
De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Volgens vaste rechtspraak (ook) van de Raad dienen de gevolgen van het handelen of nalaten van een gemachtigde in beginsel voor rekening te komen van degene die de behartiging van zijn belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van
D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
28 maart 2014.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) D.W.M. Kaldenhoven

TM