ECLI:NL:CRVB:2014:1053
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.H. Bel
- G. van Zeben-de Vries
- D.S. de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek maatschappelijke opvang op grond van Wmo wegens voldoende noodopvang
Appellant, een kwetsbare persoon met medische beperkingen en een langdurig onrechtmatig verblijf in Nederland, verzocht het college om toelating tot maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Het college wees dit verzoek af, stellende dat de geboden crisisopvang, medicatietoegang, slaapplek en dagopvang voldeden aan de positieve verplichting uit artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat niet was aangetoond dat de noodopvang onvoldoende was of dat de gezondheid van appellant substantieel werd bedreigd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij een eigen kamer nodig had voor adequate begeleiding en dat de opvang niet voldeed aan zijn fysieke beperkingen. De Raad oordeelde dat niet was komen vast te staan dat begeleiding alleen in een eigen woonomgeving mogelijk was en dat de medische verklaring onvoldoende onderbouwing bood voor een eigen kamer.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om maatschappelijke opvang en schadevergoeding wordt afgewezen; de geboden noodopvang is voldoende.