ECLI:NL:CRVB:2014:1066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woning op uitkeringsadres en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres te Amsterdam. Na een melding dat appellant zijn woning door- of onderverhuurde, stelde de Dienst Werk en Inkomen een onderzoek in. Dit leidde tot een besluit van het college om de bijstand over een periode in 2007 in te trekken en het teveel betaalde bedrag van €4.469,79 terug te vorderen, omdat appellant niet op het uitkeringsadres woonde en dit niet had gemeld.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit gegrond wegens onzorgvuldige voorbereiding, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat uit getuigenverklaringen bleek dat appellant niet woonde op het uitkeringsadres en zijn inlichtingenplicht had geschonden. Het bezwaar tegen de mededeling over de terugvordering werd niet-ontvankelijk verklaard.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de getuigenverklaringen niet betrouwbaar waren en dat het terugvorderingsbedrag niet inzichtelijk was gemaakt. De Raad oordeelde dat de verklaringen rechtsgeldig waren, appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en het college voldoende inzicht had gegeven in de berekening van het terugvorderingsbedrag. Ook de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de mededeling was terecht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom beide aangevallen uitspraken en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en verklaart het bezwaar tegen de mededeling niet-ontvankelijk.