ECLI:NL:CRVB:2014:1099
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.H. Bangma
- W.J.A.M. van Brussel
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid volgens NRGA
Appellant was sinds 2006 werkzaam als wijkverzorger bij de gemeente en raakte in 2008 arbeidsongeschikt door een scooterongeval met blijvende beperkingen aan linkerarm en -schouder. Ondanks aangepaste werkzaamheden en re-integratiepogingen kon appellant zijn oude werkzaamheden niet hervatten. Het UWV wees een WIA-uitkering af omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, terwijl de bedrijfsarts hem blijvend ongeschikt achtte voor zijn eigen werk.
Het dagelijks bestuur verleende appellant ontslag op grond van artikel 12.8a van de NRGA, waarbij de ontslagdatum meerdere malen werd aangepast. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het ontslag niet terecht was omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat het dagelijks bestuur een deskundigenoordeel van het UWV had moeten vragen.
De Raad oordeelde dat de bevoegdheid tot ontslag ook geldt voor medewerkers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, conform de toelichting bij artikel 12.8a NRGA. De stelling van appellant dat hij zijn oude werkzaamheden volledig had hervat werd niet ondersteund door de feiten. Ook rustte er geen verplichting op het dagelijks bestuur om een deskundigenoordeel van het UWV te vragen omdat er geen verschil van inzicht bestond over de mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het ontslag op grond van artikel 12.8a NRGA wordt bevestigd.