Uitspraak
OVERWEGINGEN
1.7. Bij besluit van 2 mei 2012 (besluit 2) heeft de Svb het verzoek om herziening van het besluit van 25 juni 2009 afgewezen op de grond dat niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 1 november 2006 AOW-pensioen voor een ongehuwde. Na een huisbezoek in juni 2009 stelde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) vast dat appellant met mevrouw C. een gezamenlijke huishouding voerde en herzag het pensioen per 1 juli 2009 naar gehuwdenuitkering. Appellant maakte bezwaar tegen een nabetaling en rentevergoeding over juni 2011 tot januari 2012, maar deed dit te laat en zonder verontschuldigende omstandigheden.
De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en wees een verzoek om terug te komen op het besluit van juni 2009 af, omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd. De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep onder meer gezondheidsklachten aan die hem verhinderd zouden hebben tijdig bezwaar te maken en stelde dat er geen gezamenlijke huishouding was.
De Centrale Raad oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verontschuldigd was, mede omdat appellant hulp van derden had kunnen inroepen. De ingediende stukken waren geen nieuwe feiten, omdat deze al bekend waren bij de eerdere procedure. Het verzoek om herziening werd terecht afgewezen en de eerdere uitspraken werden bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de afwijzing van het bezwaar en het verzoek om herziening van het AOW-pensioen.