Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:1179

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2014
Publicatiedatum
9 april 2014
Zaaknummer
13-327 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WWBArt. 49 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bijzondere bijstand voor schuld zorgverzekeraar wegens ontbreken zeer dringende redenen

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan om een schuld bij zijn zorgverzekeraar te voldoen, ontstaan door niet-betaling van premie in een periode zonder bijstand. Het college wees deze aanvraag af omdat bijzondere bijstand niet wordt verleend voor schulden en er geen uitzonderingssituatie was volgens artikel 49 WWB Pro.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de schuld was ontstaan door omstandigheden die niet aan hem te wijten waren en dat er zeer dringende redenen bestonden voor bijzondere bijstand. De Raad overwoog dat appellant vanaf 11 maart 2011 weer bijstand ontving en daarmee beschikte over middelen voor de noodzakelijke kosten van bestaan.

De Raad stelde dat het ontbreken van verwijtbaarheid bij het ontstaan van de schuld geen zeer dringende reden vormt. Bovendien had appellant kennelijk een betalingsregeling getroffen met de zorgverzekeraar. Daarom concludeerde de Raad dat er geen sprake was van zeer dringende redenen en het hoger beroep ongegrond was.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af. De beslissing werd op 8 april 2014 in het openbaar uitgesproken door R.H.M. Roelofs.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand wegens ontbreken van zeer dringende redenen.

Uitspraak

13/327 WWB
Datum uitspraak: 8 april 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
4 december 2012, 12/1592 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Veerkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving van 28 juli 2010 tot 1 november 2010 en vervolgens vanaf 11 maart 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 18 juli 2011 heeft hij een aanvraag ingediend om toekenning van bijzondere bijstand om een schuld bij zijn zorgverzekeraar te kunnen voldoen. Deze schuld is ontstaan in de periode van 1 november 2010 tot en met 31 juli 2011 als gevolg van het niet betalen van premie door appellant aan zijn zorgverzekeraar.
1.2.
Bij besluit van 6 oktober 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 maart 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant om toekenning van bijzondere bijstand afgewezen op de grond dat geen bijzondere bijstand wordt verleend voor schulden en dat zich geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 49 van Pro de WWB op grond waarvan van deze hoofdregel zou moeten worden afgeweken.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor een weergave van de toepasselijke bepalingen van de WWB verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd ter aflossing van een schuld. Nog daargelaten of appellant ten tijde van het ontstaan van de schuldenlast beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, beschikte hij, zoals volgt uit 1.1, in ieder geval nadien over deze middelen, aangezien hij vanaf 11 maart 2011 weer bijstand ontving. Gelet hierop vormt artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB in beginsel een beletsel voor verlening van bijzondere bijstand.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat de schuld bij zijn zorgverzekeraar is ontstaan door bij het college bekende en niet aan hem te wijten omstandigheden. Omdat deze omstandigheden bij het college bekend zijn en niet door het college worden betwist ligt het volgens appellant niet op zijn weg deze stelling nader te onderbouwen.
4.4.
Voor zover appellant heeft beoogd een beroep te doen op het bestaan van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB wordt het volgende overwogen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 14 augustus 2012, ECLI:CRVB:NL:2012:BX4569) doen zeer dringende redenen zich voor indien sprake is van een situatie waarin de behoeftige omstandigheden van de betrokkene op geen andere wijze zijn te verhelpen en bijstandsverlening dus volstrekt onvermijdelijk is. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij schulden had die hem in zijn bestaansvoorziening bedreigden. Het ontbreken van verwijtbaarheid bij het ontstaan van een schuld, zo daarvan al sprake zou zijn, vormt geen zeer dringende reden. Ten slotte, kan er niet aan worden voorbij gezien dat appellant kennelijk een afbetalingsregeling heeft getroffen met zijn zorgverzekeraar. Met de rechtbank moet dus worden geoordeeld dat van zeer dringende redenen geen sprake is.
4.5.
Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van
C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
8 april 2014.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) C.E.M. van Paddenburgh
JvC