ECLI:NL:CRVB:2014:1179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijzondere bijstand voor schuld zorgverzekeraar wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan om een schuld bij zijn zorgverzekeraar te voldoen, ontstaan door niet-betaling van premie in een periode zonder bijstand. Het college wees deze aanvraag af omdat bijzondere bijstand niet wordt verleend voor schulden en er geen uitzonderingssituatie was volgens artikel 49 WWB Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de schuld was ontstaan door omstandigheden die niet aan hem te wijten waren en dat er zeer dringende redenen bestonden voor bijzondere bijstand. De Raad overwoog dat appellant vanaf 11 maart 2011 weer bijstand ontving en daarmee beschikte over middelen voor de noodzakelijke kosten van bestaan.
De Raad stelde dat het ontbreken van verwijtbaarheid bij het ontstaan van de schuld geen zeer dringende reden vormt. Bovendien had appellant kennelijk een betalingsregeling getroffen met de zorgverzekeraar. Daarom concludeerde de Raad dat er geen sprake was van zeer dringende redenen en het hoger beroep ongegrond was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af. De beslissing werd op 8 april 2014 in het openbaar uitgesproken door R.H.M. Roelofs.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand wegens ontbreken van zeer dringende redenen.