ECLI:NL:CRVB:2015:3845

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 november 2015
Publicatiedatum
5 november 2015
Zaaknummer
14-5032 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 1 sub g WWBArt. 35 WWBArt. 49 lid 1 sub b WWBAlgemene Ouderdomswet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor opslagkosten wegens uitsluiting op grond van WWB

Appellant, een AOW-gerechtigde, vroeg bijzondere bijstand aan voor een openstaande schuld aan opslagkosten van goederen die hij sinds 1997 opslaat met de intentie een eigen bedrijf te starten. Het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek wees de aanvraag af op grond van artikel 13 lid 1 sub g van Pro de WWB, dat uitsluiting regelt voor bijzondere bijstand bij schulden.

De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat appellant voldoende middelen heeft om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien en dat geen afgewezen verzoek tot schuldsaneringskrediet of zeer dringende redenen waren aangetoond.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad benadrukte dat het ontbreken van verwijtbaarheid voor het ontstaan van de schuld geen zeer dringende reden vormt en dat de gronden over de noodzakelijkheid van de opslagkosten niet tot een ander oordeel leiden.

De Raad concludeerde dat appellant niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand voor de opslagkosten en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor opslagkosten wordt afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

14/5032 WWB
Datum uitspraak: 3 november 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
24 juli 2014, 14/1041 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek te Groenlo (dagelijks bestuur)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. dr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Faber. Het dagelijks bestuur heeft zich, met bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hij heeft sinds eind 1997 goederen opgeslagen bij [BV] Appellant heeft de intentie om met de opgeslagen goederen een eigen bedrijf te starten. Op
2 mei 2013 heeft appellant bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor het op dat moment openstaande bedrag aan verschuldigde opslagkosten van
€ 83.602,79.
1.2.
Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag vervolgens bij besluit van 11 september 2013 afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 4 november 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 11 september 2013 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB niet voor verlening van bijzondere bijstand in aanmerking komt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant een AOW-pensioen ontvangt, zodat hij over middelen beschikt om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Dit betekent dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB een beletsel vormt voor verlening van de door appellant gevraagde bijzondere bijstand. Niet is gebleken van een afgewezen verzoek tot verlening van een schuldsaneringskrediet, zodat appellant alleen daarom al niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB. Evenmin is gebleken van zeer dringende redenen als daar bedoeld.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust. Daaraan wordt toegevoegd dat het college niet artikel 35 van Pro de WWB, maar artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd. De in hoger beroep aangevoerde gronden die betrekking hebben op de vraag of de opslagkosten noodzakelijk zijn, behoeven gelet daarop geen bespreking.
4.2.
Wat in 4.1 is overwogen, leidt niet tot een ander oordeel omdat appellant, zoals hij stelt, geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan van de schuld, wat verband zou houden met het feit dat de gemeente Winterswijk destijds eerst zelf zorg heeft gedragen voor het opslaan van de goederen, waarna appellant met een last is opgezadeld. Het is vaste rechtspraak (uitspraak van 8 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1179) dat het ontbreken van verwijtbaarheid ten aanzien van een schuld op zichzelf geen zeer dringende reden vormt.
4.3.
Uit wat in 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van
M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
3 november 2015.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) M.S. Boomhouwer

HD