ECLI:NL:CRVB:2014:1192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering en terugvordering wegens werkzaamheden appellant
Appellant heeft sinds 1987 zijn werkzaamheden gestaakt wegens hartklachten en kreeg vanaf 1990 een WAO-uitkering toegekend met een hoge mate van arbeidsongeschiktheid. In 2010 werd een onderzoek gestart naar mogelijke werkzaamheden die appellant had verricht, waarbij bleek dat hij gemiddeld drie dagen per week werkte zonder dit aan het UWV te melden.
De arbeidsdeskundige stelde vast dat appellant op basis van zijn inkomsten ingedeeld moest worden in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse, wat leidde tot een herzieningsbesluit van het UWV en een terugvordering van ruim €100.000 aan onverschuldigde uitkering.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanwege zijn medische beperkingen niet in staat was deze werkzaamheden te verrichten, maar de Raad vond op basis van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts dat niet uitgesloten kon worden dat appellant de werkzaamheden heeft verricht. De ziekenhuisopnames waren korte periodes en konden de vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklassen niet wijzigen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering en terugvordering worden bevestigd.