ECLI:NL:CRVB:2014:1197
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid uitbetaling AOW-nabetaling aan Nieuw-Zeelands orgaan
Appellant, geboren in 1944, emigreerde in 1983 naar Nieuw-Zeeland en vroeg in 2009 een AOW-pensioen aan via het Nieuw-Zeelandse uitvoeringsorgaan. Door weigering van appellant om een bankrekening te openen die het Nieuw-Zeelandse orgaan beheert, werd de aanvraag niet doorgezet naar de Sociale Verzekeringsbank (Svb). In 2011 diende appellant rechtstreeks bij de Svb een aanvraag in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat hij zich tot het Nieuw-Zeelandse orgaan moest wenden.
De Svb kende in oktober 2012 een AOW-pensioen toe met terugwerkende kracht vanaf juni 2009 en betaalde de nabetaling van € 28.115,75 exclusief vakantiegeld aan het Nieuw-Zeelandse orgaan. Appellant maakte bezwaar tegen deze wijze van betaling, stellende dat hij recht had op het volledige bedrag rechtstreeks aan hem. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het Verdrag en het Administratief Akkoord bepalen dat nabetalingen aan het Nieuw-Zeelandse orgaan moeten worden overgemaakt.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het Verdrag niet correct was goedgekeurd en dat artikel 26 van Pro de AOW de betaling aan het Nieuw-Zeelandse orgaan verbiedt. De Raad oordeelde dat het Verdrag rechtsgeldig is goedgekeurd en dat de bepalingen van het Administratief Akkoord rechtstreeks werking hebben. De betaling aan het Nieuw-Zeelandse orgaan is daarmee rechtmatig. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de nabetaling van het AOW-pensioen terecht aan het Nieuw-Zeelandse orgaan is betaald.