ECLI:NL:CRVB:2014:1197

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 april 2014
Publicatiedatum
11 april 2014
Zaaknummer
13-6111 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 AOWArt. 29 Verdrag sociale zekerheidArt. 93 GrondwetArt. 94 Grondwet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid uitbetaling AOW-nabetaling aan Nieuw-Zeelands orgaan

Appellant, geboren in 1944, emigreerde in 1983 naar Nieuw-Zeeland en vroeg in 2009 een AOW-pensioen aan via het Nieuw-Zeelandse uitvoeringsorgaan. Door weigering van appellant om een bankrekening te openen die het Nieuw-Zeelandse orgaan beheert, werd de aanvraag niet doorgezet naar de Sociale Verzekeringsbank (Svb). In 2011 diende appellant rechtstreeks bij de Svb een aanvraag in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat hij zich tot het Nieuw-Zeelandse orgaan moest wenden.

De Svb kende in oktober 2012 een AOW-pensioen toe met terugwerkende kracht vanaf juni 2009 en betaalde de nabetaling van € 28.115,75 exclusief vakantiegeld aan het Nieuw-Zeelandse orgaan. Appellant maakte bezwaar tegen deze wijze van betaling, stellende dat hij recht had op het volledige bedrag rechtstreeks aan hem. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het Verdrag en het Administratief Akkoord bepalen dat nabetalingen aan het Nieuw-Zeelandse orgaan moeten worden overgemaakt.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het Verdrag niet correct was goedgekeurd en dat artikel 26 van Pro de AOW de betaling aan het Nieuw-Zeelandse orgaan verbiedt. De Raad oordeelde dat het Verdrag rechtsgeldig is goedgekeurd en dat de bepalingen van het Administratief Akkoord rechtstreeks werking hebben. De betaling aan het Nieuw-Zeelandse orgaan is daarmee rechtmatig. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de nabetaling van het AOW-pensioen terecht aan het Nieuw-Zeelandse orgaan is betaald.

Uitspraak

13/6111 AOW
Datum uitspraak: 4 april 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
6 november 2013, 13/1440 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te Auckland, Nieuw-Zeeland (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stuken ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren op 6 juni 1944, heeft, voordat hij samen met zijn
echtgenote in 1983 naar Nieuw-Zeeland emigreerde, in Nederland gewoond en/of gewerkt. In juni 2009 heeft appellant bij het Nieuw-Zeelandse uitvoeringsorgaan Work and Income een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Deze aanvraag is niet doorgezonden naar de Svb, omdat appellant weigerde een bankrekeningnummer te openen waar uitsluitend het Nieuw-Zeelandse orgaan beschikking over zou hebben. In het kader van een in maart 2011 rechtstreeks bij de Svb ingediende aanvraag om een ouderdomspensioen heeft appellant te kennen gegeven dat hij een Nieuw-Zeelands ouderdomspensioen ontvangt van € 500,- per 4 weken. De Svb heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat appellant zich moet wenden tot het Nieuw-Zeelandse orgaan.
1.2. Appellant heeft vervolgens aan de Svb kenbaar gemaakt dat hij
het AOW-pensioen niet in Nieuw-Zeeland wenst aan te vragen, omdat de betaling hiervan vervolgens niet aan hem rechtstreeks, maar aan het Nieuw-Zeelandse orgaan wordt overgemaakt. Het AOW-pensioen zal vervolgens worden verrekend met het Nieuw-Zeelandse pensioen, terwijl appellant meent recht te hebben op het volledige bedrag aan AOW-pensioen.
1.3. Bij besluit van 15 oktober 2012 heeft de Svb aan appellant een AOW-
pensioen en toeslag toegekend met ingang van juni 2009. Het maandelijks te ontvangen bedrag wordt overgemaakt op de bankrekening van appellant. De nabetaling van het
AOW-pensioen exclusief vakantiegeld bedraagt € 28.115,75 en wordt betaald aan het
Nieuw-Zeelandse orgaan.
1.4. Bij beslissing op bezwaar van 1 februari 2013 (bestreden besluit) heeft
de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat uit het Administratief Akkoord behorend bij het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Nieuw-Zeeland van 30 juni 2000 (Verdrag) volgt dat nabetalingen aan AOW-pensioen aan het Nieuw-Zeelandse orgaan dienen te worden overgemaakt.
3.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat (de relevante bepalingen uit) het Verdrag en het Administratief Akkoord niet van toepassing zijn wegens strijd met artikel 26 van Pro de AOW. Nu het Verdrag niet met de vereiste politieke instemming is goedgekeurd, is artikel 94 van Pro de Grondwet niet van toepassing, aldus appellant.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de Svb het bedrag aan nabetaling van ouderdomspensioen terecht aan het Nieuw-Zeelandse orgaan, en niet aan appellant, heeft uitbetaald.
4.2.
In deel III, sectie 4, onder 7 van het onder 2 vermelde Administratief Akkoord is het volgende bepaald: “Any payment of arrears made by the Liaison Body of the Netherlands will be deposited in a bank account nominated by the Liaison Body of New Zealand.”
4.3.
De nabetaling is, overeenkomstig het bepaalde in het Administratief Akkoord, rechtstreeks overgemaakt aan het Nieuw-Zeelandse orgaan. Het Verdrag is bij wet van
6 februari 2003 (Stb. 2003/80) goedgekeurd door de Staten-Generaal en is op 1 november 2003 in werking getreden. Ter uitvoering van artikel 29 van Pro het Verdrag is het Administratief Akkoord tot stand gekomen. Appellant kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat het Verdrag niet op de juiste wijze parlementair is goedgekeurd.
4.4.
De onder 4.2 vermelde bepaling wordt, gelet op haar bewoordingen, aangemerkt als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 93 van Pro de Grondwet. Reeds gelet op het (in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet neergelegde) stelsel van rechtstreekse werking in de Nederlandse rechtsorde van bepalingen van verdragen die naar inhoud een ieder kunnen verbinden, mag geen toepassing worden gegeven aan artikel 26 van Pro de AOW, daargelaten de vraag of dat artikel de Svb verbiedt de nabetaling aan het Nieuw-Zeelandse orgaan uit te betalen.
4.5.
Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4. leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moeten worden bevestigd
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2014.
(getekend M.M. van der Kade
(getekend) R.L. Rijnen

CVG