ECLI:NL:CRVB:2014:1199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- W.H. Bel
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beperking huishoudelijke hulp na vertrek inwonende zoons
Appellant had in november 2010 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zeven en een half uur per week hulp bij het huishouden toegekend gekregen. In oktober 2011 vroeg hij verlenging aan. Het college besloot het aantal uren te verminderen tot zes en een half uur per week, omdat de zoons niet langer thuis wonen en er sprake is van een eenpersoonshuishouden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, onder meer omdat het medisch advies van oktober 2010 nog leidend was en appellant geen bewijs leverde van een verslechterde gezondheidstoestand. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn medische situatie sinds oktober 2010 aantoonbaar was verslechterd en dat het college ten onrechte geen nieuw medisch onderzoek had laten verrichten.
De Raad onderschreef echter de overwegingen van de rechtbank en oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden of bewijsstukken had aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot vermindering van de uren huishoudelijke hulp wordt bevestigd.