ECLI:NL:CRVB:2014:1214

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 april 2014
Publicatiedatum
14 april 2014
Zaaknummer
13-664 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene nabestaandenwet
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft een nabestaandenuitkering aangevraagd na het overlijden van zijn echtgenote, waarbij hij stelde arbeidsongeschikt te zijn. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde de uitkering omdat appellant niet voldeed aan de arbeidsongeschiktheidseis van meer dan 45%.

Na bezwaar en aanvullend advies van het UWV verklaarde de Svb het bezwaar ongegrond. De rechtbank Middelburg bevestigde dit oordeel, waarbij zij het UWV-onderzoek en de rapporten van bezwaarverzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen als zorgvuldig en concludent beoordeelde.

In hoger beroep stelde appellant opnieuw dat hij meer dan 45% arbeidsongeschikt was, maar bracht geen nieuwe gegevens in. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere bevindingen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee de weigering van de nabestaandenuitkering stand hield.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

13/664 ANW
Datum uitspraak: 4 april 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 20 december 2012, 12/3385 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.W.G.J. de Haas hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. De Haas heeft zich teruggetrokken als gemachtigde.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2014. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is geboren op 2 november 1951. Hij heeft bij de Svb een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet aangevraagd wegens het overlijden van zijn echtgenote op 2 augustus 2009. Hij heeft daarbij aangegeven arbeidsongeschikt te zijn.
1.2. Op verzoek van de Svb is advies uitgebracht door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Bij besluit van 12 april 2011 heeft de Svb appellant een nabestaandenuitkering geweigerd omdat hij niet aan de voorwaarden voor toekenning voldoet. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij gesteld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid onvoldoende is onderzocht.
1.3. Nadat opnieuw advies was uitgebracht door het Uwv, heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 6 juni 2012 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.
2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij is daarbij uitgebreid ingegaan op de rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen Boel en
Van der Heemst en van de bezwaararbeidsdeskundige Kalthof. De rechtbank heeft geen reden gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van het Uwv dat bij appellant op de datum in geding geen sprake was van arbeidsongeschiktheid van meer dan 45%. Ook de in de beroepsfase overgelegde stukken van appellants behandelend artsen geeft de rechtbank geen aanleiding tot twijfel.
3.
Ook in hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij meer dan 45% arbeidsongeschikt is en derhalve voor toekenning van een nabestaandenuitkering in aanmerking komt.
4.1.
De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Met name de bezwaarverzekeringsarts Boel heeft appellant uitgebreid gesproken en onderzocht en heeft informatie gevraagd bij de behandelend sector. De bezwaararbeidsdeskundige Kalthof heeft duidelijk aangegeven voor welke functies appellant geschikt werd geacht. Onderzoek en rapporten van het Uwv zijn zorgvuldig en concludent. Er was voor de Svb geen reden het advies van het Uwv niet te volgen. In hoger beroep zijn door appellant geen nieuwe gegevens in het geding gebracht.
4.2.
Het onder 4.1 overwogene leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M.M. Spaans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2014.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) M.M. Spaans

CVG