ECLI:NL:CRVB:2014:1222

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 april 2014
Publicatiedatum
14 april 2014
Zaaknummer
13-5421 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen aankondigingsbrief herziening nabestaandenuitkering

Appellante ontving een halve nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) en verzocht om een volledige uitkering vanwege het overlijden van de eerste echtgenote van haar overleden echtgenoot. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stuurde op 13 juli 2012 een brief waarin zij aankondigde dat de uitkering per 1 januari 2013 zou worden herzien vanwege de inwerkingtreding van de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz).

Appellante maakte bezwaar tegen deze brief, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was. De Svb had later, op 13 december 2012, formele besluiten genomen waarin de uitkering werd aangepast. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het niet-ontvankelijk verklaarde bezwaar ongegrond en merkte op dat het bezwaar tegen het latere besluit wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk was.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de brief slechts een aankondiging betrof en niet gericht was op rechtsgevolg, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard. Appellante was erop gewezen dat bezwaar mogelijk was tegen het latere besluit, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de aankondigingsbrief is niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep is ongegrond.

Uitspraak

13/5421 ANW
Datum uitspraak: 4 april 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
6 september 2013, 13/664 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2014. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving een halve nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Op 21 juni 2012 heeft appellante de Svb verzocht haar in verband met het overlijden van de eerste echtgenote van haar (reeds eerder overleden) echtgenoot in aanmerking te brengen voor een volledige uitkering.
1.2. Bij brief van 13 juli 2012 heeft de Svb appellante geïnformeerd over de inwerkingtreding van de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz) per 1 juli 2012. Meegedeeld is dat de nabestaandenuitkering zal worden aangepast aan het kostenniveau van het land waar de rechthebbende woont. Voor een aantal landen, waaronder Marokko, is opgenomen welk percentage van de uitkering zal worden uitbetaald. Voorts is meegedeeld dat voor bestaande gevallen als appellante een overgangsregeling geldt tot 1 januari 2013 en dat appellante in december 2012 bericht zal ontvangen over de hoogte van haar uitkering per 1 januari 2013.
1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het schrijven van 13 juli 2012. Dit bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 10 januari 2013 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 13 juli 2012 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.4. Inmiddels had de Svb bij een tweetal besluiten van 13 december 2012 aan appellante met ingang van mei 2012 een volledige nabestaandenuitkering op grond van de ANW toegekend en haar uitkering per 1 januari 2013 aangepast op grond van de Wwsz.
2.1. De rechtbank heeft appellantes beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat de brief van 13 juli 2012 niet was gericht op enig rechtsgevolg.
2.2. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat het beroep tegen het bestreden besluit ook moet worden beschouwd als een bezwaar tegen het kortingsbesluit van 13 december 2012. Dit heeft geleid tot niet-ontvankelijkverklaring van dit bezwaar wegens termijnoverschrijding.
3.1. De Raad overweegt het volgende.
3.2. De Svb en de rechtbank hebben terecht overwogen dat de brief van 13 juli 2012 slechts een aankondiging bevatte van de herziening van appellantes uitkering per 1 januari 2013 in verband met de inwerkingtreding van de Wwsz. Deze brief was niet op rechtsgevolg gericht en kan daarom niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Appellantes bezwaar tegen deze brief is terecht niet-ontvankelijk verklaard.
3.3. Hierbij wordt nog opgemerkt dat appellante er in de brief van 13 juli 2012 duidelijk op is gewezen dat tegen dit schrijven geen bezwaar kon worden gemaakt en dat bezwaar mogelijk zou zijn tegen het besluit dat in december 2012 zou worden toegezonden. In het besluit van
13 december 2012, waarbij appellantes uitkering is herzien, is de mogelijkheid van bezwaar genoemd. Daar komt nog bij dat voor appellante nadat haar bezwaar tegen de brief van 13 juli 2012 bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk was verklaard, nog de mogelijkheid open stond bezwaar te maken tegen het besluit van 13 december 2012. Van al deze mogelijkheden heeft appellante geen gebruik gemaakt.
3.4. Gezien het onder 3.2 en 3.3 overwogene kan het hoger beroep niet slagen.
4.
Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M.M. Spaans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2014.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) M.M. Spaans

NW