Uitspraak
OVERWEGINGEN
3 augustus 2011 ongegrond verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Appellant viel sinds 2 april 2007 uit wegens psychische klachten en ontving vanaf 9 april 2009 een WIA-uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV beëindigde deze uitkering per 9 oktober 2011, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 juni 2011 adequaat waren vastgesteld. De eerdere FML van 7 april 2009 toonde meer beperkingen vanwege een situatie van decompensatie, die op de datum van beëindiging niet meer aanwezig was.
Appellant voerde aan dat zijn psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen en stelde dat een deskundige benoemd moest worden. De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsartsen deskundig en zorgvuldig hadden gehandeld en dat de FML juist was vastgesteld. De voorgestelde functies waren passend en het verlies aan verdiencapaciteit bedroeg 12%, waardoor de uitkering terecht werd beëindigd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.