ECLI:NL:CRVB:2014:1275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens herstel arbeidsongeschiktheid
Appellante meldde zich op 18 oktober 2010 ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na onderzoek door een verzekeringsarts van het UWV en het inwinnen van informatie van de behandelend psycholoog, werd vastgesteld dat zij per 9 januari 2012 weer in staat was haar eigen werk als huishoudelijke hulp te verrichten. Het UWV beëindigde daarom de uitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch oordeel zorgvuldig was en dat de mentale toestand van appellante was verbeterd tot een matige depressie in remissie. De Raad toetste dit oordeel in hoger beroep.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet volledig hersteld was vanwege medicatiegebruik en dat de verzekeringsarts geen conclusies had mogen trekken zonder overleg met de behandelaar. De Raad oordeelde dat het UWV juist had vastgesteld dat zij met beperkingen haar eigen werk kon verrichten en dat er wel degelijk overleg met de behandelaar had plaatsgevonden.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de eerdere uitspraak, waarmee de beëindiging van de Ziektewetuitkering rechtmatig is.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante per 9 januari 2012 haar eigen werk kon verrichten en de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd.