ECLI:NL:CRVB:2014:1294

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2014
Publicatiedatum
17 april 2014
Zaaknummer
12-5774 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54a BarpArt. 4:6 AwbWet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012Regeling uitkering dienstongevallen politie van 18 oktober 2007
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot uitkering dienstongeval en smartengeld politie

Appellant, werkzaam bij de politieregio Midden en West Brabant, heeft op 25 juli 2003 tijdens diensttijd een dienstongeval gehad. In 2007 zijn op grond van artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) twee bedragen aan hem uitgekeerd als schadevergoeding. In 2011 verzocht appellant alsnog om een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid door het dienstongeval, maar dit verzoek werd door de korpschef afgewezen en die afwijzing werd door de rechtbank bevestigd.

In hoger beroep overweegt de Centrale Raad van Beroep dat het verzoek van appellant neerkomt op terugkomen op een in rechte onaantastbaar geworden besluit. Appellant had destijds geen bezwaar gemaakt tegen de uitkeringen en was op de hoogte van de grondslag van de betalingen. Onbekendheid met de regeling en het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule vormen geen grond voor heropening.

De Raad stelt vast dat de nieuwe Regeling uitkering dienstongevallen politie uit 2007 niet met terugwerkende kracht geldt en dat de aanspraken niet wezenlijk afwijken van de eerdere regeling. Bovendien geldt dat de vaststelling van arbeidsongeschiktheid uiterlijk drie jaar na het ongeval moet plaatsvinden. Daarom blijft het besluit van 26 september 2011 in stand en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek van appellant om uitkering en smartengeld wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitspraak

12/5774 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 september 2012, 11/5645 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Korpschef van politie (korpschef)
PROCESVERLOOP
Ingevolge artikel 5 van Pro de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.
Namens appellant heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Bent. De korpschef is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is vanaf 1 september 2000 werkzaam geweest bij de politieregio Midden en West Brabant. Op 25 juli 2003 is hem tijdens diensttijd een ongeval overkomen. De korpschef heeft dit ongeval aangemerkt als dienstongeval in de zin van artikel 1.1, aanhef en onder z, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Naar aanleiding van dit ongeval zijn aan appellant in 2007 op grond van artikel 54a van het Barp twee bedragen aan schadevergoeding toegekend.
1.2. Op 16 maart 2011 heeft appellant verzocht om alsnog in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van de Regeling uitkering dienstongevallen politie van
18 oktober 2007, Stcrt 31 oktober 1997, nr. 211 (Regeling), op de grond dat hij door het dienstongeval arbeidsongeschikt is geworden. Hierop heeft de korpschef bij besluit van
19 mei 2011 afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van
26 september 2011.
2.
De rechtbank heeft het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3.
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.
3.1.
Op grond van artikel 54a van het Barp wordt in geval van invaliditeit of overlijden, voortvloeiend uit een dienstongeval of een beroepsziekte, aan de ambtenaar smartengeld vergoed tot een maximum bedrag van € 136.100,-. In 2007 zijn op die grond twee bedragen aan appellant uitgekeerd, een bruto-bedrag van € 3366,89 en een netto-bedrag van
€ 10.210,05. Die bedragen waren aan de korpschef toegekend door [naam maatschappij]. Aan de betalingen aan appellant liggen besluiten van de korpschef ten grondslag, waarvan appellant in elk geval heeft kunnen kennisnemen via de aan hem verstrekte specificaties van deze uitkeringen. Appellant was blijkens zijn mededeling ter zitting ook gekeurd ten behoeve van deze besluiten, zodat hij wist in welk kader die uitkeringen werden verstrekt. Appellant heeft destijds geen bezwaar gemaakt tegen (de hoogte van) deze uitkeringen, zodat deze betalingen in rechte vast staan. Onbekendheid met de grondslag van de betalingen en de afwezigheid van een rechtsmiddelenclausule kan er niet toe leiden dat het verzoek van 16 maart 2011 kan worden aangemerkt als een verschoonbaar te laat bezwaar tegen de besluiten van 2007. Het had immers destijds op de weg van appellant gelegen zich te doen informeren indien hij over de grondslag van de hem gedane uitkeringen in onzekerheid verkeerde.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van 16 maart 2011 terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, nu dit verzoek eveneens een verzoek om smartengeld op basis van artikel 54a van het Barp betreft voor de gevolgen van hetzelfde dienstongeval. Dat er ter uitwerking van dat artikel inmiddels de onder 1.2 genoemde regeling is vastgesteld maakt dit niet anders. De rechtbank heeft dan ook de juiste toetsing toegepast.
3.3.
Dat appellant destijds niet goed op de hoogte was van de mogelijkheden op grond van de destijds geldende Overeenkomst collectieve dienstongevallenregeling (Overeenkomst) en dat er inmiddels een andere regeling geldt levert geen nieuwe feiten op in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Overigens is de Regeling in werking getreden op
2 november 2007 en hieraan is geen terugwerkende kracht verbonden. In de toelichting is vermeld dat, omdat in de afgelopen periode aan de hand van de collectieve dienstongevallenverzekering uitvoering is gegeven aan de aanspraken op grond van artikel 54a van het Barp, niet voor terugwerkende kracht is gekozen. De aanspraken op grond van de Regeling wijken ook niet in belangrijke mate af van de aanspraken op grond van de Overeenkomst. Ten overvloede heeft de korpschef terecht nog overwogen dat volgens de Regeling uiterlijk drie jaar na het ongeval de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid als gevolg van het dienstongeval moet worden vastgesteld.
4.
Gezien het vorenstaande houdt het besluit van 26 september 2011 ook in hoger beroep stand en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
5.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en
W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2014.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) S.K. Dekker

HD