ECLI:NL:CRVB:2014:1295
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening bij bijstandsaanvraag buiten behandeling gesteld
Verzoekster diende op 13 augustus 2013 een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande, maar leverde niet alle gevraagde documenten aan, waaronder een verklaring van erfrecht en testament. Het college stelde de aanvraag op 3 oktober 2013 buiten behandeling. Verzoekster maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank wees het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoekster ging in hoger beroep en vroeg opnieuw om een voorlopige voorziening voor bijstand over de periode 13 augustus 2013 tot 19 februari 2014.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen spoedeisend belang was voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster was niet geheel verstoken van inkomsten, ontving zorgtoeslag, huurinkomsten en leningen, en had inkomsten uit verkoop van kleding. Bovendien was de dreigende executie van haar woning afgewend doordat haar echtgenoot de hypotheekachterstand betaalde. Vanaf 19 februari 2014 werd bijstand toegekend na nieuwe aanvraag.
Daarom bestond geen reden om de voorlopige voorziening toe te kennen. Het verzoek werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.