ECLI:NL:CRVB:2014:1296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens ontslag tijdens proeftijd door eigen toedoen
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het bestuur verlaagde de bijstand aanvankelijk met 100% vanwege het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid door ontslag tijdens de proeftijd, wat door eigen toedoen was veroorzaakt. Later werd deze maatregel gewijzigd in een verlaging van 50% gedurende twee maanden, rekening houdend met gezinsomstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen deze verlaging ongegrond, stellende dat appellant geen recht had op zorg- of calamiteitenverlof en dat het ontslag het gevolg was van zijn onvrede over gemaakte afspraken omtrent overwerk en ziekenhuisbezoek. In hoger beroep voerden appellanten aan dat appellant wel recht had op verlof en dat de overwerkuren onredelijk waren.
De Raad oordeelde dat deze gronden een herhaling waren van eerdere argumenten en sloot zich aan bij het gemotiveerde oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen en de verlaging van de bijstand bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 50% gedurende twee maanden wordt bevestigd wegens het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.