ECLI:NL:CRVB:2014:1319

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2014
Publicatiedatum
22 april 2014
Zaaknummer
11-4623 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens herstel besluit sociale zekerheid

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Breda inzake een besluit van de commissie sociale zekerheid van de gemeente Breda. De Raad gaf bij een tussenuitspraak opdracht aan de commissie om het besluit van 6 oktober 2010 te herstellen. De commissie verklaarde het bezwaar gegrond omdat geen sprake was van een maatregelwaardige gedraging.

Naar aanleiding hiervan trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Raad om de commissie te veroordelen in de proceskosten. De commissie maakte geen gebruik van de mogelijkheid tot het indienen van een verweerschrift. De Raad besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten en sloot het onderzoek.

De Raad oordeelde dat de intrekking van het hoger beroep gerechtvaardigd was omdat de commissie aan appellant was tegemoetgekomen door het besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:75a Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet veroordeelde de Raad de commissie in de proceskosten van appellant, begroot op €1.977,40 voor beroep en hoger beroep.

Uitkomst: De commissie sociale zekerheid van Breda is veroordeeld tot betaling van €1.977,40 aan proceskosten aan appellant.

Uitspraak

Datum uitspraak: 22 april 2014
11/4623 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 juni 2011, 10/4863 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de commissie sociale zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De Raad heeft op 9 juli 2013 een tussenuitspraak gedaan waarin aan de commissie is opgedragen om binnen zes weken het gebrek in het besluit van 6 oktober 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Bij brief van 10 december 2013 heeft mr. Bronsveld namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de commissie te veroordelen in de proceskosten.
De commissie heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat appellant het hoger beroep heeft ingetrokken omdat de commissie het gebrek in het besluit van 6 oktober 2010 heeft hersteld met inachtneming van de tussenuitspraak van 9 juli 2013. De commissie heeft besloten het bezwaar alsnog gegrond te verklaren, omdat geen sprake is van een maatregelwaardige gedraging.
Nu de commissie niet heeft betwist dat aldus aan appellant is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om de commissie te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 29,40 aan reiskosten, in hoger beroep in totaal € 1.977,40.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de commissie in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.977,40.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2014.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) E. Blijleven-de Vries

HD