Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:1352

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2014
Publicatiedatum
23 april 2014
Zaaknummer
12-5714 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 TWArt. 8a TW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling hoogte toeslag volgens Toeslagenwet

Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van de hoogte van zijn toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW), waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het bedrag ongewijzigd had vastgesteld op € 349,96 bruto per maand. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat volgens de wet de toeslag wordt berekend op basis van het verschil tussen het dagloon en de WAO-uitkering, en niet op basis van het verschil tussen het sociaal minimum en de WAO-uitkering zoals appellant stelde.

Appellant voerde in hoger beroep dezelfde gronden aan, waaronder ook een subsidiair standpunt dat het dagloon onjuist was vastgesteld. De Raad oordeelde dat het dagloon eerder correct was vastgesteld en dat appellant daartegen geen bezwaar had gemaakt, waardoor de vaststelling vaststaat.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank volledig en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee blijft de vaststelling van de toeslag ongewijzigd in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van de toeslag blijft ongewijzigd.

Uitspraak

12/5714 TW
Datum uitspraak: 23 april 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van
12 september 2012, 12/3665 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2014. Namens appellant is
mr. Kuijper verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 22 december 2011 heeft het Uwv de aan appellant toegekende toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) ongewijzigd vastgesteld op € 349,96 bruto per maand dan wel € 16,09 bruto per dag.
1.2. Bij besluit van 22 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 december 2011 ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op artikel 2, eerste lid, van de TW en artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW, voor de vaststelling van de hoogte van de toeslag moet worden uitgegaan van het verschil tussen het dagloon en de hoogte van de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat het dagloon van appellant lager is dan het voor hem geldende minimumloon. De stelling van appellant dat in zijn geval uitgegaan moet worden van het verschil tussen het sociaal minimum en zijn WAO-uitkering, vindt geen steun in de wet en faalt, aldus de rechtbank.
2.2. Wat betreft appellants subsidiaire standpunt dat de hoogte van zijn dagloon niet juist is vastgesteld, onderschrijft de rechtbank het betoog van het Uwv, zoals weergeven in het bestreden besluit, dat de vaststelling van het dagloon eerder heeft plaatsgevonden en appellant daartegen geen bezwaar heeft gemaakt en de juistheid van het dagloon daarmee vaststaat.
3.
In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde beroepsgronden herhaald.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vindt geen steun in het recht.
4.2.
Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) M.P. Ketting

CVG