ECLI:NL:CRVB:2014:1418
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit en onherroepelijkheid eerdere besluiten
Appellante ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering, die in 2009 werd herzien naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Het Uwv stelde het vervolgdagloon vast op basis van het loon als pastoraal medewerkster. Appellante maakte bezwaar tegen de berekening van haar uitkering per 2011, stellende dat deze gebaseerd moest zijn op een hoger loon uit een eerdere functie als lerares.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat eerdere besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Raad bevestigde dat het besluit van 1988 tot beëindiging van haar eerdere uitkering niet meer ter discussie staat.
De Raad oordeelde dat het vervolgdagloon correct is vastgesteld en dat de rechter niet mag oordelen over de innerlijke waarde of billijkheid van formele wetten zoals de WAO. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.