ECLI:NL:CRVB:2014:1477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand vanaf 16 augustus 2004 en stond ingeschreven op een ander adres dan waar hij feitelijk verbleef. Na een anonieme tip verrichtte de sociale recherche een onderzoek, waaruit bleek dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met een andere persoon op diens adres. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode 2004-2009 wegens het niet melden van het hoofdverblijf en de gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. Hij voerde onder meer aan dat de rechtbank onzorgvuldig had gehandeld door een zitting niet aan te houden vanwege een vermeende overmacht van zijn gemachtigde, en dat het besluit onbevoegd was genomen. De Raad verwierp deze bezwaren, onder meer omdat de staking ruim van tevoren was aangekondigd en het faxbericht niet correct was ontvangen.
De Raad beoordeelde de criteria voor gezamenlijke huishouding aan de hand van objectieve feiten en concludeerde dat appellant en de andere persoon hun hoofdverblijf deelden en zorg voor elkaar droegen, onder meer door financiële verstrengeling en wederzijdse zorg. De schending van de inlichtingenplicht maakte het college bevoegd tot intrekking en terugvordering. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.