ECLI:NL:CRVB:2014:1516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek vast dat haar ex-echtgenoot, met wie zij kinderen heeft, sinds de zomer van 2010 feitelijk hoofdverblijf had in haar woning. Dit leidde tot intrekking van de bijstand vanaf 1 september 2010 en terugvordering van de kosten over die periode.
Het onderzoek van de gemeente toonde aan dat de ex-echtgenoot regelmatig aanwezig was in de woning, met eigen poststukken en administratie, terwijl zijn eigen woning leeg was. Appellante voerde aan dat zijn aanwezigheid uitsluitend was ter bescherming van de kinderen vanwege een burenruzie, maar de Raad oordeelde dat motieven en aard van de relatie niet relevant zijn voor de vraag of sprake is van gezamenlijke huishouding.
De Raad stelde vast dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door de wijziging van haar woonsituatie niet te melden. Ook een beroep op overmacht werd verworpen. Het college handelde binnen haar bevoegdheid door de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.