ECLI:NL:CRVB:2014:1528
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens verwijtbare werkloosheid zonder medische noodzaak
Appellant was sinds 1 augustus 2010 in dienst bij een werkgever en heeft op eigen verzoek de arbeidsovereenkomst per 1 november 2010 beëindigd. Hij vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die werd afgewezen wegens verwijtbare werkloosheid. Daarna vroeg hij bijstand aan met ingang van 1 november 2010, maar het college kende bijstand toe vanaf 28 december 2010 en legde een verlaging van 100% voor één maand op vanwege het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid door eigen toedoen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze maatregel, maar niet tegen de ingangsdatum van de bijstand. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de ingangsdatum niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen de maatregel af. In hoger beroep stelde appellant dat hij niet verwijtbaar werkloos was geworden omdat hij psychische klachten had die hem dwongen te stoppen met werken.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij om medische of andere redenen genoodzaakt was zijn baan op te zeggen. De medische stukken waren niet overtuigend en betroffen een latere datum dan het ontslag. Daarom was de verlaging van de bijstand terecht opgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstandsverlaging bevestigd wegens verwijtbare werkloosheid zonder medische noodzaak.