Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
€ 1.013,80;
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Almelo inzake de afwijzing van een aanvraag voor AWBZ-zorg voor begeleiding en persoonlijke verzorging. Betrokkene had een aanvraag ingediend die door het Centrum indicatiestelling zorg werd afgewezen op grond van het standpunt dat behandeling vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw), zoals cognitieve gedragstherapie en medicatieaanpassing, voorliggend zou zijn op AWBZ-zorg.
De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en het besluit vernietigd, stellende dat de behandeling vanuit de Zvw niet voorliggend was, mede gelet op medische verklaringen waaruit bleek dat betrokkene al jaren met medicatie behandeld werd en cognitieve gedragstherapie al in 2007 was ingezet. De Centrale Raad van Beroep volgt deze lijn en oordeelt dat de medisch adviseur van appellant onvoldoende concrete nieuwe medische informatie heeft geleverd om het standpunt van voorliggende Zvw-behandeling te onderbouwen.
De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Tevens veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van betrokkene, waaronder kosten voor rechtsbijstand en reiskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 7 mei 2014.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag AWBZ-zorg en wijst het hoger beroep af.