ECLI:NL:CRVB:2014:1566
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Verzoekster ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde op basis van onderzoek vast dat zij vanaf 21 september 2012 een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-echtgenoot, zonder dit te melden. De sociale recherche voerde huisbezoeken uit en verzamelde verklaringen van betrokkenen en buurtbewoners.
Het college trok de bijstand in en wees een aanvraag voor bijzondere bijstand af. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster niet-ontvankelijk omdat zij geen gronden had ingediend, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de gronden wel tijdig waren ingediend en vernietigde de uitspraak.
De Raad oordeelde dat verzoekster en haar ex-echtgenoot in de beoordelingsperiode samenwoonden, wat leidde tot het vervallen van het recht op bijstand als alleenstaande ouder. De motieven voor het samenwonen waren niet relevant, en verzoekster had onvoldoende informatie verstrekt over het inkomen en vermogen van haar ex-echtgenoot.
De Raad wees het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalde dat het college het betaalde griffierecht aan verzoekster moest vergoeden. De intrekking van de bijstand werd bevestigd en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van verzoekster wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van bijstand blijft in stand.