Appellante had een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd met een proeftijd van twee jaar, die per 15 december 2010 werd beëindigd. De Raad bevestigt dat het besluit tot beëindiging rechtmatig is, mede vanwege onvoldoende verbetering in het functioneren en een afwijzing van een verbetertraject.
Daarnaast was appellante vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van bezoldiging vanaf augustus 2010. De Raad oordeelt dat deze vrijstelling een discretionaire bevoegdheid van de minister betreft en dat het besluit tot handhaving daarvan in stand kan blijven, ondanks dat de oorspronkelijke motivering niet draagkrachtig was.
Appellante stelde dat het ontslag onrechtmatig was en dat zij onterecht geschorst was, en vorderde een vergoeding voor reiskosten en kosten van juridische bijstand. De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding af, maar veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten voor de reiskosten van appellante.
De Raad bevestigt het eerdere oordeel van de rechtbank en vernietigt het besluit tot handhaving van de vrijstelling voor zover de motivering onvoldoende was, maar laat de rechtsgevolgen daarvan intact. Het hoger beroep wordt daarmee deels gegrond verklaard en deels ongegrond.