ECLI:NL:CRVB:2014:1577
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toekenning Wubo wegens ontbreken extreem geweld door Japanse bezetter
Appellant, geboren in 1929 in Nederlands-Indië, verzocht in 2011 om een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder wees dit verzoek af omdat het meemaken van gewelddadige ondervragingen tijdens de Bersiap-periode niet onder de Wubo valt, mede omdat appellant destijds militaire status had.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de mishandelingen die appellant als tolk in burgerdienst bij de Mariniersbrigade getuige was, niet door of namens de Japanse bezettende macht waren gepleegd. Bovendien was appellant niet op jeugdige leeftijd (17 jaar of jonger) met dit geweld geconfronteerd. Ook was er geen bevestiging van directe betrokkenheid bij beschietingen.
De Raad concludeerde dat geen sprake was van handelingen vergelijkbaar met extreem geweld door de Japanse bezetter, en dat de vrees voor represailles door Indonesische autoriteiten niet onder de Wubo valt. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wubo-uitkering wordt ongegrond verklaard.