Uitspraak
OVERWEGINGEN
14 mei 2012 de aanvraag van betrokkene af te wijzen.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de WWB en gaf een woonadres op waar hij volgens de GBA was ingeschreven. Na een intakegesprek en huisbezoek weigerde het college de aanvraag vanwege twijfels over de feitelijke woonplaats van betrokkene. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de medische situatie van betrokkene, waaronder een ernstige herseninfectie en communicatieproblemen, onvoldoende was meegewogen en het college onvoldoende had doorgevraagd.
In hoger beroep voerde het college aan dat betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat de verschillen tussen de geschetste en feitelijke situatie verklaarbaar waren door de medische toestand van betrokkene. Diverse details uit tekeningen, huisbezoek en verklaringen van medebewoners ondersteunden de woonplaats van betrokkene.
De Raad bevestigde dat het college onvoldoende gemotiveerd had waarom het de aanvraag had afgewezen en dat de grondslag voor de tweede afwijzing daarmee verviel. Het hoger beroep werd afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het college veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.