ECLI:NL:CRVB:2014:1635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening bij intrekking bijstand wegens verblijfstitel
Verzoekster, met de Nigeriaanse nationaliteit, ontving bijstand op grond van de WWB, maar deze werd ingetrokken vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt en hoger beroep ingesteld. Verzoekster vroeg tevens een voorlopige voorziening om de bijstand voort te zetten gedurende haar verblijfsrechtelijke procedures.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoekster al een voorziening ontving via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en een bijdrage uit het gemeentelijk Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving (FGV), evenals een aanvullende bijdrage van de stichting Diaconie. Hierdoor kon zij niet aannemelijk maken dat er sprake was van een financieel spoedeisend belang.
Hoewel verzoekster stelde betalingsachterstanden te hebben en haar vaste lasten niet te kunnen betalen, oordeelde de Raad dat de bestaande voorzieningen toereikend waren en dat een eventuele verlenging van de bijdrage uit het FGV via de Wmo-aanvraag geregeld moest worden. Er was geen zwaarwegend belang dat onmiddellijke voorziening rechtvaardigde.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend financieel belang.