ECLI:NL:CRVB:2014:1705
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstandsuitkering wegens niet-nakoming inlichtingenverplichting kasstortingen
Appellant ontving sinds 2008 bijstand op grond van de WWB. Het college constateerde via bankafschriften meerdere kasstortingen en startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Op basis van dit onderzoek werd de bijstand over de periode mei 2008 tot juni 2010 herzien en een bedrag van €11.036,94 teruggevorderd, omdat appellant zijn inlichtingenverplichting niet had nagekomen door de kasstortingen niet te melden.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat een deel van de kasstortingen was verklaard en dat hij geld had geleend en terugbetaald, waardoor de kasstortingen niet als inkomen zouden moeten worden beschouwd. Ook stelde hij dat de kasstortingen betrekking hadden op overheveling van eigen middelen. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de kasstortingen afkomstig waren van middelen waarover hij al beschikte. De verklaringen waren wisselend en de bankafschriften toonden girale overschrijvingen die de contante stortingen tegenspraken.
De Raad concludeerde dat het college de kasstortingen terecht als inkomen had aangemerkt en de herziening en terugvordering terecht waren. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de kasstortingen terecht als inkomen zijn aangemerkt en de herziening van de bijstand gerechtvaardigd is.