ECLI:NL:CRVB:2014:1752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering te veel betaalde bijstand volgens WWB
Appellante ontving sinds 12 april 1999 bijstand volgens de norm voor een alleenstaande ouder. Vanaf 21 juli 2008 woonde haar jongste dochter niet meer bij haar, maar dit werd niet doorgegeven, waardoor zij ten onrechte bijstand ontving volgens een hogere norm.
Het college heeft de bijstand herzien en de te veel betaalde bedragen teruggevorderd over de periode van 3 augustus 2009 tot en met 2 februari 2010, waarbij het terugvorderingsbedrag werd vastgesteld op € 1.557,84. Het college beperkte de terugvordering tot een half jaar vanwege verwerkingstermijnen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat geen sprake is van een administratieve vergissing, waardoor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB niet aan de orde is. Verder is geen dringende reden voor kwijtschelding van de terugvordering gebleken.
Appellante's beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van te veel betaalde bijstand door het college.