ECLI:NL:CRVB:2014:1756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en onduidelijke inkomsten uit stichting
Betrokkene ontving bijstand van 2003 tot 2007. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de gemeente Amsterdam een onderzoek naar mogelijke onrechtmatigheden in de bijstandsverlening. Hierbij werd vastgesteld dat betrokkene een bankrekening had verzwegen en werkzaamheden verrichtte voor een stichting waarvan hij bestuurslid was, zonder dit te melden. De gemeente trok de bijstand in en vorderde terugbetaling van ruim €47.000.
De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de werkzaamheden van betrokkene als marginaal werden beschouwd en het recht op bijstand pas vanaf december 2005 niet kon worden vastgesteld. De Raad oordeelt echter dat betrokkene meer dan marginale, op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte, waaronder technische werkzaamheden voor een radiostation van de stichting, en dat hij inkomsten heeft genoten. Betrokkene hield geen controleerbare administratie bij, waardoor niet duidelijk is welke inkomsten hij precies had.
De Raad stelt dat schending van de inlichtingenverplichting een grond is voor intrekking van bijstand indien het recht daarop niet kan worden vastgesteld. Betrokkene slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij recht had op bijstand vanaf 1 januari 2004. Daarom vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 25 juli 2012, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.