ECLI:NL:CRVB:2014:1772
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand van mei 2009 tot december 2010 en stond ingeschreven op een adres, terwijl zijn partner op een ander adres stond ingeschreven. Na een melding dat zijn partner bij appellant zou wonen en haar woning had onderverhuurd, startte het college een onderzoek. Dit onderzoek, inclusief verhoren en getuigenverklaringen, leidde tot het vermoeden van schending van de inlichtingenverplichting door appellant en zijn partner.
Het college trok de bijstand van appellant met terugwerkende kracht in en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug, waaronder ook de bijstand aan zijn partner. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat aannemelijk was dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad concludeerde dat ondanks de verschillende inschrijvingen in de GBA, appellant en zijn partner feitelijk samenwoonden op het uitkeringsadres, wat werd ondersteund door verklaringen van partijen en getuigen en door het waterverbruik. Appellant had dit niet gemeld, waardoor de bijstand ten onrechte werd verleend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd.