ECLI:NL:CRVB:2014:1784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting bij gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand sinds 2009 en stond ingeschreven op een adres waar vanaf 2011 ook mevrouw S. stond ingeschreven. Appellant erkende het kind van mevrouw S. In verband met twijfels over de woon- en leefsituatie stelde het Bureau JZ-Handhaving een onderzoek in, dat leidde tot het besluit van het college om de bijstand vanaf 1 april 2011 in te trekken en de teveel betaalde bijstand terug te vorderen wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant in de periode van 1 april 2011 tot 16 maart 2012 een gezamenlijke huishouding voerde met mevrouw S. en daarmee zijn inlichtingenverplichting schond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de gemeente reeds op de hoogte was van de situatie via de GBA-inschrijving en erkenning van het kind, en dat de inlichtingenverplichting daarom niet van toepassing was.
De Raad oordeelde dat de ministeriële regeling die bepaalde gegevens vrijstelt van de inlichtingenverplichting nog niet was vastgesteld, zodat de verplichting onverkort bleef gelden. Appellant had de gezamenlijke huishouding niet gemeld en daarmee zijn verplichting geschonden. Het college was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.