ECLI:NL:CRVB:2014:1817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting door inwonende zoon
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en meldde in juni 2010 dat haar meerderjarige zoon bij haar kwam wonen. Het college wees haar op de verplichting om door te geven als de inkomsten van haar zoon langer dan drie maanden meer dan € 604,15 zouden bedragen. Uit onderzoek bleek dat de zoon vanaf september 2010 tot en met december 2010 en vanaf augustus 2011 meer dan dit bedrag verdiende, zonder dat appellante dit meldde.
Het college herzag daarop de bijstand over de periode september 2010 tot oktober 2011 en vorderde € 1.964,67 terug. Tevens werd de bijstand in februari 2012 met 20% verlaagd wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar zoon niet bij haar woonde en dat zij vanwege ernstige chronische vermoeidheid niet in staat was tijdig te melden. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs leverde dat haar zoon niet bij haar woonde en dat de vermoeidheid geen dringende reden vormde om van terugvordering af te zien. Ook het beroep op nalatigheid van haar gemachtigde faalde.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De opgelegde verlaging van de bijstand met 20% was in overeenstemming met de gemeentelijke verordening en de wet. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening, terugvordering en verlaging van de bijstand gehandhaafd.