ECLI:NL:CRVB:2014:1857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- E.E.V. Lenos
- Rechtspraak.nl
Herziening ingangsdatum AOW-pensioen wegens bijzondere omstandigheden
Appellante, geboren in 1922, heeft lange tijd in het buitenland gewoond en ontving Belgische pensioenen. Na terugkeer naar Nederland in 2000 vroeg zij in 2011 een AOW-pensioen aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende het pensioen toe met ingang van februari 2010, met een korting voor niet-verzekerde jaren.
Appellante stelde dat zij vanwege haar langdurig verblijf in het buitenland en onbekendheid met het recht op AOW een terugwerkende kracht van vijf jaar toekomt. De Svb erkende een bijzonder geval en stelde de ingangsdatum op februari 2008, mede op basis van financiële schadeberekeningen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Svb terecht het beleid toepaste dat terugwerkende kracht slechts wordt verleend tot maximaal één jaar voor de aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Aangezien appellante geen aanvraag in België had gedaan en onvoldoende financiële gegevens over de periode 1987-2002 kon overleggen, was er geen aanleiding tot een eerdere ingangsdatum.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde de ingangsdatum van het AOW-pensioen definitief vast op februari 2008. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De ingangsdatum van het AOW-pensioen wordt vastgesteld op februari 2008 met vergoeding van proceskosten aan appellante.