Uitspraak
15 februari 2013, 12/3632 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene en zijn echtgenote ontvingen vanaf juli 2011 bijstand. Het college onderzocht mogelijke inkomsten uit kansspelen vanwege bekend casinogedrag van betrokkene. Diverse kasstortingen op zijn bankrekeningen konden niet afdoende worden verklaard. Het college herzag de bijstand en legde een korting op.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene deels gegrond vanwege toepassing van een verordening die nog niet van kracht was. Het college en betrokkene gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de kasstortingen terecht als inkomen zijn aangemerkt en dat betrokkene zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.
De Raad verwierp het verweer dat de kasstortingen eigen geld uit casinobezoek betroffen, omdat dit niet met verifieerbare gegevens was onderbouwd. De opgelegde maatregel werd aangepast omdat de juiste verordening weliswaar later in werking trad, maar toepassing daarvan niet tot een gunstiger resultaat leidde. Het hoger beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard en dat van het college gegrond, waarbij de maatregel werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de maatregel tot korting op de bijstand wordt bevestigd.