ECLI:NL:CRVB:2014:1874
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen weigering WIA-uitkering wegens onderschatte beperkingen
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek vanwege maag-, vermoeidheids- en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stelling dat haar psychische beperkingen en belastbaarheid waren onderschat, onderbouwd met aanvullende medische gegevens van Noagg. Het UWV voerde aan dat deze gegevens geen nieuwe inzichten boden en dat de beperkingen correct waren vastgesteld. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat de medische gegevens geen aanleiding gaven tot een ander oordeel.
De Raad bevestigde de rechtbankuitspraak en wees het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door J.J.T. van den Corput op 4 juni 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.