ECLI:NL:CRVB:2014:1925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- J.P.M. Zeijen
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding niet volledig gegrond verklaard
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder. Het college stelde na onderzoek van de sociale recherche vast dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met [G.], die inkomsten had die de bijstandsnorm overschreden, en trok de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf 12 juli 2004.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond en oordeelde dat de gezamenlijke huishouding pas vanaf 1 november 2005 was begonnen. Het college beperkte daarop de terugvordering tot die periode. In hoger beroep betwist appellante dat de gezamenlijke huishouding eerder bestond en stelt dat deze beperkt was tot een latere periode.
De Raad beoordeelde dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt dat [G.] vanaf 1 november 2005 tot 31 augustus 2006 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Voor de periode daarna was er wel voldoende bewijs van gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en het besluit tot intrekking van de bijstand over de periode tot 31 augustus 2006 en draagt het college op een nieuwe terugvorderingsbeslissing te nemen.
De Raad veroordeelt het college tevens in de proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed. Partijen kunnen tegen deze uitspraak cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering over de periode tot 31 augustus 2006 wordt vernietigd en het college moet een nieuwe beslissing nemen.