ECLI:NL:CRVB:2014:1935
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.H. Bel
- G. van Zeben-de Vries
- D.S. de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering gedeeltelijke eigen bijdrage AWBZ ondanks bezwaar erfgenamen
De zaak betreft een hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar inzake de invordering van een naheffingsbedrag eigen bijdrage AWBZ door het CAK. Betrokkene verbleef sinds 2007 in een AWBZ-zorginstelling en was op grond van een gewijzigde indicatie vanaf 2009 een hogere eigen bijdrage verschuldigd. Het CAK stelde deze hogere bijdrage met terugwerkende kracht vast en vorderde een bedrag van ruim € 27.000.
Het CAK besloot op basis van een belangenafweging een deel van dit bedrag kwijt te schelden volgens interne richtlijnen met kwijtscheldingspercentages afhankelijk van de terugwerkende kracht. De rechtbank wees het beroep van de erfgenamen af, die zich tegen de invordering keerden met argumenten over onbekendheid met de wijziging, nalatigheid van het CAK en schending van het EVRM.
De Centrale Raad overwoog dat het CAK de richtlijnen consistent toepaste en dat betrokkene voldoende geïnformeerd was over de mogelijke eigen bijdrage. Ook werd meegewogen dat de erfgenamen bewust van beneficiaire aanvaarding afzagen ondanks kennis van de invordering. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de invordering van de gedeeltelijke eigen bijdrage AWBZ wordt bevestigd.