Uitspraak
OVERWEGINGEN
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1935, diende in 2008 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag werd afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard omdat directe betrokkenheid bij de genoemde oorlogshandelingen niet was vastgesteld of de gebeurtenissen niet onder de Wubo vielen. Een eerder beroep werd niet-ontvankelijk verklaard.
In mei 2012 diende appellant een nieuwe aanvraag in, die eveneens werd afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De Raad toetste dit besluit met terughoudendheid, gezien de discretionaire bevoegdheid van verweerder tot herziening, en concludeerde dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die aanleiding gaven tot herziening.
De Raad beoordeelde diverse door appellant genoemde gebeurtenissen, waaronder beschietingen, bombardementen, een incident met een noodlandend Duits vliegtuig, en het openen van een afvoersluiter van een Duitse tankauto. Geen van deze gebeurtenissen kon worden aangemerkt als nieuwe feiten die directe betrokkenheid van appellant aantonen of die onder de werking van de Wubo vallen.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het beroep ongegrond en wees de aanvraag af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de herhaalde aanvraag om een WUBO-uitkering wordt afgewezen.